Voorbij

Op deze wordpress-site zijn de dagen van bloggen en posten voorbij. Er zal verder worden geschreven op:

jeroendalli.com

Met minstens zoveel plezier.

Zoenende advocaat -update-

Gisteren schreef ik over een advocaat die door de Raad van Discipline in Amsterdam op de vingers was getikt omdat hij door het zoenen van een verdachte niet de afstandelijkheid in acht had genomen die van een advocaat wel verwacht mag worden. Dat het in het bewuste geval ging om een advocaat die goed bevriend was met de betreffende verdachte, deed er naar het oordeel van de Raad van Discipline niet toe.

Vandaag werd mij uit doorgaans betrouwbare bron duidelijk dat de betreffende advocaat in hoger beroep gaat tegen het oordeel van de Raad van 25 augustus 2010.

Het beroep zal worden behandeld door het Hof van Discipline in Den Bosch. De behandeling zal naar verwachting maanden op zich laten wachten.

Ik ben benieuwd of de advocaat gedurende die tijd zijn lippen op elkaar kan houden.

De zoenende advocaat

Een advocaat dient zich te gedragen zoals het een behoorlijk advocaat betaamt.

Maar wat precies binnen de grenzen van het betamelijke valt en wat daarbuiten is op voorhand niet altijd duidelijk. Daarom, en vanwege het feit dat een advocaat bij de uitoefening van zijn werkzaamheden in beginsel een grote vrijheid heeft om te handelen zoals hij denkt dat het goed is, komen er bij de raad van discipline, de tuchtrechter voor advocaten, nogal eens klachten binnen over advocaten waarvan wordt vermoed dat ze over de grens zijn gegaan.

Voor alle duidelijkheid, de grens van het betamelijke.

Volgens de Dikke van Dale betekent betamelijk: behoorlijk, passend.

Onlangs beoordeelde de raad van discipline een klacht van een hulpofficier van justitie. De klacht was gericht tegen een advocaat die zich op het politiebureau vervelend had gedragen. Wat was er gebeurd?

Agenten hadden een vrouw naar het politiebureau meegenomen van wie het rijbewijs ingenomen moest worden. Waarom dat nodig was blijkt niet uit de uitspraak van de raad maar ik heb reden om aan te nemen dat het om een verdenking van rijden onder invloed ging.

De verdachte had geen rijbewijs of ander legitimatiebewijs bij zich. In verband daarmee belde de verdachte een vriend; advocaat van beroep.

De vriend kwam korte tijd later met het rijbewijs van de verdachte naar het politiebureau en legitimeerde zich bij binnenkomst als advocaat waarna hij de verdachte in ieder geval heeft gezoend op haar wangen in aanwezigheid van de politie. Over wat er verder allemaal is gebeurd daar lopen de lezingen over uiteen maar feit is dat de advocaat, door de agenten omschreven als zeer recalcitrant, uiteindelijk het politiebureau is uitgezet.

Voordat de politie die maatregel nam werd van de advocaat eerst nog een blaastest afgenomen. Kennelijk werd vermoed dat het recalcitrante gedrag voortvloeide uit het overmatig gebruik van alcohol. De uitkomst van de blaastest bleek negatief. Dus positief voor de advocaat.

De raad van discipline die het gedrag van de advocaat moest beoordelen was helder in haar oordeel:

“De raad is van oordeel dat verweerder door het zoenen van de verdachte niet de afstandelijkheid in acht heeft genomen die mag worden verwacht van een advocaat die beroepshalve contact heeft met een verdachte, ook al is hij met deze persoon bevriend.”

Dus nog los van eventueel vervelend gedrag was de advocaat door zoenen de grens van de ongeschreven regels overgegaan.

Aan de advocaat werd de maatregel van waarschuwing opgelegd.

Slechts een waarschuwing, een oproep om niet meer te doen. Of beter, nooit meer een zoen.

Ik kan me niet herinneren ooit een verdachte te hebben gezoend. Maar mijn vrienden komen natuurlijk ook nooit op een politiebureau.

Vakantie

Een dokter kan de deur van zijn praktijk wel een paar weken sluiten om met vakantie te gaan, maar ook zonder witte jas blijft hij dokter.

Zoals politieagenten 24 uur per dag politieagent zijn, verwachten mensen van een arts dat hij altijd klaarstaat om medische hulp te verlenen. Maar is die verwachting terecht?

Die vraag is de afgelopen jaren in het medisch tuchtrecht aan de orde geweest. De casus was als volgt.

Tijdens een trekvakantie in Nepal komt een Nederlandse toeriste lelijk ten val met een pijnlijke pols tot gevolg. De plaats van onheil was ongelukkig. De dichtstbijzijnde doorgaande weg lag op 2 dagen lopen.

Met behulp van een drager, een sjerpa en haar man was de vrouw met veel pijn en moeite in staat een overnachtingsplaats te vinden. Het was de bedoeling om van daaruit een arts te raadplegen. De drager en de gids werden met dat doel erop uit gestuurd.

Ver hoefden ze niet te zoeken. In de overnachtingsplaats zelf bleek bij toeval een groep Nederlandse toeristen aangekomen te zijn. Een van hen was internist. De gids en de drager vroegen de arts, die zich na een barre bergtocht van 8 uur net stond op te frissen, of hij even mee wilde komen om naar de pols van de vrouw te kijken.

De arts legde uit dat hij internist was, niets van botten wist en adviseerde een andere arts te zoeken.

Lees: hij had er geen zin in.

In het dorp werd al snel een Franse arts gevonden die wel bereid was medische hulp te verlenen. De pols van de vrouw bleek gebroken en met behulp van verzamelde bamboestokjes gespalkt. Dat verlichtte de pijn zodanig dat de vrouw in staat was om de volgende verder te lopen naar een plek die met de auto bereikbaar was.

Ondertussen had de Nederlandse internist van het reisgezelschap vernomen dat er medische bijstand was verleend. Hij dacht verder niet meer aan de vrouw met haar zere pols.

Terug in Nederland liet de toeriste het er niet bij zitten. Ze diende tegen de internist een klacht in bij het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. Volgens haar had de arts gehandeld in strijd met de algemene norm van artikel 47 van de Wet BIG waaruit voortvloeit dat iemand die in zijn hoedanigheid van arts om bijstand wordt gevraagd, de juiste zorg dient te betrachten.

De arts voerde uitvoerig verweer maar dat mocht hem niet baten. Het tuchtcollege was van oordeel dat het handelen van de arts niet in overeenstemming kon worden gebracht met de normen en waarden die tot uitdrukking worden gebracht in de Nederlandse artseneed en legde de arts een waarschuwing op.

Vakantie in het verre buitenland of niet.

De arts kon zich met dat oordeel niet verenigen en ging in beroep bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg in Den Haag.

Daar kwam wederom de kernvraag aan bod: Heeft in een situatie als de onderhavige een BIG-geregistreerde arts een plicht tot het bieden van zorg of hulp buiten zijn werk of diensttijd en, zo ja, hoe ver strekt die verplichting?

Art. 47 Wet BIG bepaalt met betrekking tot de vraag of een arts buiten werk- of diensttijd een plicht heeft tot het bieden van zorg of hulp, dat een in het BIG register ingeschreven arts onderworpen is aan tuchtrechtspraak “terzake van degene die, in nood verkerende, bijstand met betrekking tot zijn gezondheid behoeft”.

Na een uitvoerige afweging van alle omstandigheden kwam het Centraal Tuchtcollege op 19 augustus 2010 tot het oordeel dat er geen sprake is geweest van een noodgeval als bedoeld in de Wet BIG en dat de arts met betrekking tot zijn handelen of nalaten tuchtrechtelijk geen verwijt kon worden gemaakt. Immers, het vermoeden van een gebroken pols kan niet als calamiteit of noodsituatie worden gezien, de vrouw had na haar val nog minstens een uur kunnen lopen en de arts was, naar zijn eigen oordeel, niet zodanig deskundig onderlegd dat hij op een adequate wijze hulp als internist had kunnen bieden op het gebied van de traumatologie.

Om de ongelukkige toeriste niet helemaal in de kou te laten staan overwoog het college nog wel: “Dit laat onverlet dat de situatie van klaagster erg vervelend voor haar is geweest en dat de arts op een andere wijze dan hij heeft gedaan blijk zou hebben kunnen geven van zijn betrokkenheid bij de situatie van klaagster.”

Moreel zou het de arts misschien gesierd hebben indien hij iets meer betrokkenheid had getoond. Maar (tuchtrechtelijk) verwijtbaar was het niet.

Hoogleraar gezondheidsrecht Legemaate noemt de uitspraak van het college alleszins straight. ‘Je hoeft niet altijd dokter te zijn’, zo vat hij de uitspraak samen.

Toch laat dit voorbeeld zien dat Nederlandse artsen op moeten passen. Ook in het verre buitenland kun je je niet helemaal aan de blik van Hippocrates onttrekken. Je zult (als arts) wel moeten beoordelen of er sprake is van een noodsituatie, alvorens je besluit om je witte jas in je koffer te laten zitten.

Smart thinking

Passende straf

Begin juli schreef ik over Henk, die gedagvaard was om te verschijnen bij de politierechter. Vandaag vond de strafzaak in Leeuwarden plaats.

Henk werd verweten dat hij een ongeval had veroorzaakt en de plaats van dat ongeval had verlaten zonder zijn identiteit kenbaar te maken, en verder dat hij had gereden zonder dat hij beschikte over een geldig rijbewijs. Daarnaast wilde de officier van justitie dat een eerder opgelegde voorwaardelijke celstraf zou worden omgezet in een onvoorwaardelijke celstraf.

Ik had Henk vooraf gewaarschuwd dat de officier van justitie de mogelijkheid had om de tenlastelegging te wijzigen. Henk zou in dat geval niet alleen rekening moeten houden met een veroordeling voor het rijden zonder geldig rijbewijs op de dag van het ongeval zelf maar ook in de daaraan voorafgaande periode van 18 maanden. Maar gelukkig hield de vertegenwoordigster van het openbaar ministerie het bij de oorspronkelijke tenlastelegging.

Over het bewijs van beide feiten viel weinig te zeggen. Henk had bij de politie een bekentenis afgelegd en herhaalde bij de rechter zijn eerder afgelegde verklaringen. Daarnaast waren er getuigen. Nee, het ging niet zozeer om de vraag of er een veroordeling zou volgen maar of het zou lukken Henk uit de gevangenis te houden. En dat was een hele kluif.

Ter zitting kwam al snel de justitiële documentatie aan bod. Henk was weliswaar nog geen 30 maar toch al zesmaal met justitie in aanraking geweest voor soortgelijke overtredingen. De rechter begon in staccato op te sommen. Meerdere keren rijden onder invloed, het verlaten van de plaats van een ongeval, snelheidsovertredingen en zelfs een overtreding van de Scheepvaartverkeerswet. Geldboetes, rijontzeggingen, werkstraffen, een proeftijd. Koele feiten, zakelijk op een rij gezet.

Het woord hardleers viel. Henk zakte steeds dieper onderuit in zijn stoel.

Maar ik wenkte hem omhoog. Hij moest zijn verhaal doen, stugge Fries of niet. Wilde hij een celstraf ontlopen dan was het op z’n minst zaak om zoveel mogelijk persoonlijke omstandigheden naar voren te brengen.

Gelukkig, hij begon te praten.

Nadat hij afgelopen winter door de politie was gebeld in verband met de slippartij op de besneeuwde weg, brak Henk. Eindelijk kon/moest hij zijn verhaal doen. En dat luchtte op. Hij had verteld over zijn dubbelleven. Voor zijn baan als chauffeur had hij een rijbewijs nodig. Zonder dat roze papiertje zou hij ontslagen worden en zou hij zijn hypotheek niet meer kunnen betalen. Zijn ouders wilde hij niet weer teleurstellen, dat had hij als jonge twintiger al te vaak gedaan. Daarom verzweeg hij tegenover alles en iedereen dat zijn rijbewijs in 2008 ongeldig was verklaard. Hij hield de schijn van een normaal leven op, vertelde zijn werkgever en directe omgeving niets en werkte gewoon door.

Vragen over je werk vermijden en vooral geen ongelukken maken onderweg was het devies. Dan komt niemand er achter. Maar anderhalf jaar later ging het uiteraard een keer fout. Niet vanwege alcohol. Henk dronk al een tijd niet meer. Nee, winterse weersomstandigheden braken hem op.

Natuurlijk werd Henk direct ontslagen toen hij zijn werkgever had ingelicht. Geen werk, geen uitkering en nauwelijks perspectief. Maar na 24 sollicitaties mocht hij op gesprek komen bij een distributiecentrum. 13 weken later zijn ze daar nog steeds erg tevreden over hem.

De ervaring leert dat rechters behoud van een baan en stabiliteit in iemands leven belangrijk vinden en daar bij hun oordeel rekening mee houden als de omstandigheden dat toelaten. Zo ook in dit geval.

Henk kreeg een werkstraf van 70 uren en een rijontzegging voor de duur van 4 maanden. Daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf van 14 dagen met een proeftijd van 2 jaren. De eerder opgelegde voorwaardelijke straf werd omgezet, maar niet in een onvoorwaardelijke gevangenisstraf maar in een werkstraf van 28 uren. Missie geslaagd.

Op de vraag of dit nu gerechtigheid is zullen de meningen wel verdeeld zijn. De rechter gaf aan de opgelegde straf passend te vinden. Henk vond dat hij van geluk mocht spreken. En ik? Ik was blij de uitdaging te zijn aangegaan.

Spelletje

Er was mail. Van Transavia. Omdat wij een vlucht hadden geboekt voor 11 juli, de dag van de WK-finale, kregen we de mogelijkheid deze kosteloos om te boeken. Het Nederlands elftal kon immers wereldkampioen worden. Mooie geste van de luchtvaartmaatschappij. Maar niet nodig.

Onze vlucht vanuit Amsterdam vertrok om 14.30 uur en zou om 16.25 uur in Pisa aankomen. Ruim op tijd om de aftrap om 20.30 uur te bekijken.

Extra vroeg vanwege de vakantiedrukte bleek op 11 juli bij aankomst op Schiphol dat er een kleine vertraging was. De vlucht zou om 15.40 vertrekken. Niets aan de hand.

Het boarden verliep volgens schema, het signaal fasten your seatbelts was gegeven en de Boeing 737 met ruim 160 passagiers aan boord was klaar voor vertrek. Tot opeens de gezagvoerder sprak over een “klein probleempje”.

Om dat kleine probleempje op te lossen moest de hulpmotor worden uitgeschakeld. En omdat de airconditioning in het vliegtuig zonder die hulpmotor niet zou functioneren was het helaas niet anders. Iedereen moest weer van boord. Maar, niet getreurd. Langer dan een uur zou het niet duren.

Een uur werd twee uur. Drie uur. Langer zelfs.

Uiteindelijk konden we om 20.00 uur de lucht in.

Ware het niet dat het nieuwe toestel, ingezet omdat het kleine probleempje een iets groter probleem was geworden, van de luchtverkeersleiding geen toestemming kreeg voor vertrek. Grrr…

Hadden ze dat niet eerder kunnen bedenken dan pas op de polderbaan?

De WK-finale had ik allang uit het hoofd gezet. Die was al begonnen.

In stilte aanschouwde ik de in het Oranje gestoken familie voor mij in het vliegtuig. Van woede gaven ze elkaar de schuld van de vertraging. Het wachten was alleen nog op het moment dat iemand ter relativering zou roepen dat het toch maar een spelletje was, dat voetbal. Maar dat durfde niemand.

De vriendelijke gezagvoerder, hij kon er toch ook niets aan doen, wees ons tijdens het opstijgen nog wel op de historisch grote mensenmassa op het Museumplein in Amsterdam. Leuk hoor.

De gebruikelijke vluchtinformatie bevatte verder niet alleen details omtrent het weer op de plaats van bestemming maar ook de ruststand van de wedstrijd. Het was nog 0-0.

Na de landing zag ik in de bus van het vliegveld naar autoverhuurbedrijf nog net Robben alleen op het Spaanse doel afgaan en missen. Tijdens het inchecken in het hotel wees de vriendelijke Italiaanse eigenaar mij op een tv waar nog net was te zien hoe Heitinga met gebogen hoofd en een rode kaart het veld verliet.

En keeper Casillas toonde in de herhaling de schitterende cup aan de wereld toen ik na middernacht in bed stapte.

Oranje had de finale van het wereldkampioenschap voetbal gespeeld en ik had er niets van gezien.

Voor iemand die niet graag iets mist, is dat een hard gelag. Het gevoel dat me bekroop herkende ik. Tweemaal eerder was ik op een cruciaal moment ergens afwezig.

In mei 1990 kon ik niet bij de concerten van de Rolling Stones in De Kuip zijn vanwege eindexamens. En dat terwijl mijn volledige vriendengroep er wel bij was. Zij waren het jaar ervoor wel direct geslaagd voor hun VWO.

Een jaar later bracht diezelfde vriendengroep (voor mijn gevoel) de hele zomer door in Playa del Inglés op Gran Canaria. Ik niet. Want ik moest werken en kon geen vrij krijgen.

Hij was er niet bij werd een gevleugelde uitspraak.

Tot 11 juli 2010 dacht ik dat ik die uitspraak vergeten was.

Typisch Italiaans

Concurrentiebeding

Een arbeidsovereenkomst regelt vaak niet alleen de betrekkingen tussen een werkgever en werknemer gedurende het dienstverband, maar kan ook zien op de periode daarna.

In veel arbeidsovereenkomsten is een concurrentiebeding opgenomen. Dat zorgt er voor dat een werknemer na afloop van de dienstbetrekking niet zonder meer kan overstappen naar een directe concurrent van de werkgever. Mits schriftelijk vastgelegd met een meerderjarige werknemer is een dergelijk beding rechtsgeldig.

De meeste werkgever denken er voor het sluiten van een schriftelijke arbeidsovereenkomst met een directeur, manager of sales-agent wel aan om een concurrentiebeding te maken, maar vergeten dat er gedurende het dienstverband zodanige veranderingen kunnen plaatsvinden dat een eerder afgesproken concurrentiebeding niet meer geldt. Een concurrentiebeding dat bijvoorbeeld is overeengekomen met iemand die in het jaar 2002 als verkoopmedewerker in dienst is getreden, dient niet meer als rechtsgeldig te worden beschouwd als diezelfde werknemer in 2009 is doorgegroeid naar een functie van manager R&D en als zodanig zijn ontslag indient.

Dat terwijl een 20 jaar oude arbeidsovereenkomst op zichzelf wel geldig is om het bestaan van een dienstverband aan te tonen.

Het gerechtshof in Leeuwarden heeft onlangs nog maar eens bevestigd hoe belangrijk het is dat bij functiewijzigingen, andere afspraken omtrent een concurrentiebeding worden gemaakt.

Als een beding zwaarder is gaan drukken kan het zijn geldigheid verliezen.

Volgens de Hoge Raad-uitspraak Brabant/Van Uffelen uit 1979 moet bij een functiewijziging van een werknemer een nieuw beding worden overeengekomen als de wijziging in de arbeidsverhouding van zo ingrijpende aard is, dat het concurrentiebeding aanmerkelijk zwaarder gaat drukken. In zijn algemeenheid is niet te zeggen wanneer dat wel en wanneer dat niet het geval is.

Ook hier geldt het door juristen veel gebruikte adagium ‘dat hangt ervan af’.

De raadsheren uit Leeuwarden vonden uiteindelijk dat een functieverandering van hoofd bedrijfsbureau naar projectleider/calculator bij een bedrijf dat drijvende woningen (arken) bouwt, niet van zo ingrijpende aard was dat een nieuw beding op zijn plaats was.

De werkgever had geluk, de werknemer die bij een concurrent wilde werken mocht aan het oude beding gehouden worden.

Maar uit het arrest blijkt toch ook wel dat de werknemer (lees: zijn advocaat) niet erg goed beslagen ten ijs kwam. De vordering van de werknemer werd namelijk ook afgewezen omdat er geen enkele onderbouwing was aangedragen.

Wie stelt moet immers bewijzen.

En wie dat nalaat hangt zomaar in de touwen van de juridische boksring.

Verdediging

Op een dinsdagmorgen vroeg krijgt de politie een melding dat er een supermarkt in een klein dorp in Friesland is overvallen. De dienstdoende surveillancewagen in de regio spoedt zich ter plaatse.

Bij de plaats delict aangekomen staan een aantal supermarktmedewerkers buiten, voor het magazijn de politie op te wachten. In het magazijn treft de politie diverse huilende mensen aan, allemaal zeer ontdaan.

Nadat Slachtofferhulp was geïnformeerd om zich over de slachtoffers te ontfermen ging de politie op onderzoek uit in de supermarkt, die die ochtend nog niet open was geweest. Het was pas 7.30 uur.

In de buurt van de kassa’s lagen rollen tape op de grond. Iets verderop lag een aantal geldrolletjes en diverse tie rips. De deur naar een kantoor stond open. In het kantoor stond een kluis. En die kluis was leeggehaald.

Kort na de melding van de overval kreeg de politie van een getuige door dat bij de bewuste supermarkt 3 personen met bivakmutsen en donkere kleding naar een blauwe auto toeliepen die met piepende banden wegreed toen iedereen was ingestapt. De getuige was nog net in staat een deel van het kenteken te noteren. 14-KB-.. Alle politie-eenheden krijgen de opdracht uit te kijken naar de blauwe auto.

Uiteindelijk duurt het zo’n 15 minuten totdat de auto gevonden is en door 2 politiewagens en een motoragent stopgezet kan worden. Alle inzittenden worden door middel van de zgn. autoprocedure uit het voertuig gepraat.

In de auto zaten 4 jongemannen, de oudste nog geen 22 jaar oud. Naast de verdachten vond de politie in de auto nepvuurwapens, een stroomstootwapen, handschoenen, bivakmutsen, telefoons, losliggende kleding, tie rips en een tas met geld.

Alle inzittenden werden door de politie in verzekering gesteld en verhoord. Iedereen beriep zich op zijn zwijgrecht.

Uit de verhoren van de getuigen bleek wat er die ochtend was gebeurd.

Een van de supermarktmedewerkers zat ‘s-ochtends in zijn auto op de parkeerplaats op zijn collega’s te wachten. Volgens het veiligheidsprotocol mag een supermarkt niet door een enkel personeelslid geopend worden. Terwijl deze medewerker zat te wachten keek hij door de autoruit plotseling in de loop van een pistool. Onder bedreiging werd hij vervolgens door meerdere mannen gedwongen het magazijn te openen en het alarm uit te schakelen, waarna hij werd vastgebonden in het magazijn.

Andere personeelsleden die stuk voor stuk de supermarkt binnenkwamen werden door de verdachten opgevangen en eveneens vastgebonden. Uiteindelijk duurde de overval nog geen 1o minuten, ruim voldoende om de inhoud van een van de aanwezige kluizen mee te nemen.

Een van de verdachten vroeg mij als raadsman voor hem op te treden. Op basis van de beschikbare informatie en in afwachting van het volledige politiedossier vroeg ik mij af of er signalementen van de daders van de overval bekend waren. Of de politie de telefoons van de verdachten zou uitpeilen om te zien of ze in de buurt van de supermarkt waren geweest. Of het het in de auto aangetroffen geld op de een of andere manier aan de kluis van de supermarkt ‘verbonden’ kon worden. Of er sporen waren gevonden op de rollen tape die eventueel aan de verdachten toegeschreven konden worden. En of de verdachten een alibi hadden.

Na 10 weken voorarrest was het politieonderzoek nog volop gaande. Sommige vragen werden beantwoord. Er kwamen andere vragen bij. Maar het onderzoek liep door. Kennelijk was de politie er niet zeker van dat de in de auto aangetroffen heren de daders van de overval waren.

Zou dat terecht zijn?